Lisa van Reemst

Regelmatig krijgt agressie tegen medewerkers van de politie, ambulance en brandweer media- en beleidsaandacht. Deze medewerkers zouden vaak en ernstige agressie meemaken, waarover ik ook in mijn vorige blog al schreef. Wat mij regelmatig opvalt, is hoe medewerkers van deze drie beroepsgroepen in deze berichten in één adem worden genoemd. Toch zijn er ook duidelijke verschillen. Omdat er weinig over verschillen tussen medewerkers bekend is, ga ik in dit blog in op twee soorten verschillen tussen medewerkers in het meemaken van agressie. Namelijk de verschillen tussen en binnen beroepsgroepen.

 

Verschillen tussen beroepsgroepen

Ten eerste zien we in eerdere onderzoeken dat de mate waarin agressie wordt meegemaakt tussen de drie groepen hulpverleners (politie, brandweer en ambulance) sterk van elkaar verschillen. Volgens onderzoek op basis van data van het (afgeronde) programma Veilige Publieke Taak van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zou bijvoorbeeld 14% van de brandweermedewerkers, 35% van de ambulancemedewerkers en 61% van de politiemedewerkers in het jaar voorafgaand aan het onderzoek fysieke agressie meemaken. Voor psychologische vormen van agressie (verbaal, bedreigingen en discriminatie) gold 48%, 79% en 88% respectievelijk. Bovendien blijft dit bij brandweer- en ambulancemedewerkers vaak bij enkele incidenten, terwijl meer dan een kwart van de politiemedewerkers 5 of meer incidenten van fysieke agressie meemaakt.

Deze verschillen zijn aan de hand van kenmerken van de beroepsgroepen te verklaren. De beroepsgroepen hebben namelijk elk een andere functie. De belangrijkste taken van brandweermedewerkers zijn het bestrijden van brand en het redden van mens en dier bij beklemming, brand, water, hoogtes en gevaarlijke stoffen. De belangrijkste taak van ambulancemedewerkers is het verlenen van medische zorg aan patiënten die acute zorg nodig hebben. Tot slot is deel van de basistaken van de politie toezicht houden en wetten en regels handhaven. De aard van de functie van medewerkers is dus verschillend, hoewel allemaal belangrijk voor de publieke veiligheid.

Deze verschillen in taken maken dat de werkomstandigheden van medewerkers verschillen en dus de mogelijkheden (gelegenheid) om agressie mee te maken. Een kleine greep uit de verschillen: 1) politiemedewerkers mogen zelf (gepast) geweld en wapens gebruiken, 2) in niet-opgeschaalde situaties rukken brandweermedewerkers vaak met meer medewerkers tegelijk uit naar een incident, en 3) brandweermedewerkers hebben op wekelijkse basis het minste contact met burgers. Deze kenmerken kunnen gezamenlijk maken dat er verschillen zijn tussen beroepsgroepen in welke mate, gemiddeld genomen, agressie wordt meegemaakt.

 

Werkomstandigheden van medewerkers verschillen en dus de mogelijkheden (gelegenheid) om agressie mee te maken

 

Verschillen binnen beroepsgroepen

Naast verschillen tussen beroepsgroepen bestaan er verschillen tussen medewerkers binnen één en dezelfde beroepsgroep in het meemaken van agressie. Zo hebben analyses op basis van bovengenoemde data uitgewezen dat een relatief klein percentage politiemedewerkers (9%), een groot deel van de agressie-incidenten meemaakt (56%). Hetzelfde geldt voor ambulancemedewerkers: 13 procent van de medewerkers maakt 72 procent van de agressie-incidenten mee. Deze analyses zijn niet uitgevoerd voor brandweermedewerkers, maar een ouder onderzoek onder medewerkers van de brandweer toont ook verschillen binnen de beroepsgroep.

Deze verschillen zijn, net als de verschillen tussen beroepsgroepen, deels te verklaren aan de hand van gelegenheidskenmerken. Hierbij kun je denken aan de hoeveelheid contact die men heeft met burgers en met welk type burgers men in contact komt (bijvoorbeeld relatief vaak met burgers die onder invloed zijn of psychiatrische problemen hebben). De regio en precieze functie waarin men werkt bepalen deels deze kenmerken.

Mogelijk zouden ook persoonlijke kenmerken de verschillen in agressie-ervaringen binnen beroepsgroep kunnen verklaren. Uit internationaal onderzoek naar agressie op het werk – niet specifiek in deze beroepsgroepen – blijkt bijvoorbeeld dat medewerkers die meer negatieve gevoelens hebben en een lager zelfvertrouwen hebben, meer agressie meemaken (zie hier een literatuurverkenning). Het idee hierachter is dat deze medewerkers minder goed zouden zijn in het de-escaleren van potentieel risicovolle situaties. Dit soort verbanden zijn nog weinig structureel onderzocht binnen deze drie beroepsgroepen. Ook ligt deze verklaring wel gevoelig, omdat dit al snel kan worden ervaren alsof men de schuld wil leggen bij de medewerker, in dit geval het slachtoffer van agressie. Toch vind ik het belangrijk dat onderzoekers zich hierdoor niet laten weerhouden om onderzoek te doen naar deze verklaring (zoals ook hier beschreven).

Overigens kunnen deze persoonlijke kenmerken alleen een verklaring bieden voor verschillen in agressie-ervaringen tussen medewerkers indien deze kenmerken vooraf aan de agressie-ervaring aanwezig waren. En juist dat is iets waarin veel onderzoek naar dit thema te kort komt, doordat er maar eenmalig, namelijk na het agressie-incident, gemeten wordt. We kunnen dus niet uitsluiten dat men bijvoorbeeld meer negatieve gevoelens is gaan ervaren na de agressie-ervaring, simpelweg omdat de volgorde in tijd van het (ontwikkelen van het) psychologisch kenmerk en de agressie-ervaring niet wordt vastgesteld. Eerste onderzoeken die medewerkers over langere tijd volgen, suggereren overigens dat het zowel mogelijk is dat het psychologisch kenmerken de latere agressie-ervaring voorspelt, als dat de agressie-ervaring het ontwikkelen van een psychologisch kenmerk voorspelt.

Een van de redenen waarom ik het belangrijk vind om deze twee typen verschillen te benoemen, is dat het belangrijk is om met beide verschillen rekening te houden in onderzoek. Dit verbetert namelijk de interpretatie en dus bruikbaarheid van resultaten voor de praktijk. Zo is het mogelijk dat verklaringen voor verschillen in agressie-ervaringen binnen één beroepsgroep, niet gelijk zijn aan de verklaringen binnen een andere beroepsgroep. Analyses geven bijvoorbeeld aan dat bepaalde gelegenheidskenmerken (bijvoorbeeld de mate van contact met burgers) een deel van de verschillen in agressie-ervaringen van politiemedewerkers verklaren, maar niet die van brandweermedewerkers. Ik ben vooral nieuwsgierig hoe dit werkt met persoonlijke, psychologische, kenmerken. In hoeverre kunnen die een verklaring bieden voor verschillen binnen een beroepsgroep? En wat kunnen we daarvan leren? Bovendien zou ik graag weten of deze verklaringen voor de drie beroepsgroepen hetzelfde zijn. Of zou wat bij de ene beroepsgroep de-escalerend werkt, bij de andere misschien zelfs escalerend werken? Daar hoop ik middels mijn huidige onderzoek antwoord op te vinden, dus wordt vervolgd!

 

Het is belangrijk dat onderzoek rekening houdt met verschillen in agressie-ervaringen tussen en binnen beroepsgroepen

 

In this blogpost, PhD candidate Isabella Regan discusses the role of private online investigations in conflict settings. Paying specific attention to its use in the current conflict in Ukraine, she touches upon challenges related to legal, ethical and practical implications. The next four years, she will conduct a critical analysis of public and private power (im)balances within online open-source investigations of (transnational) crimes.
Recently, our colleague Abby Muricho Onencan attended the Leiden University annual Diversity and Inclusion Symposium. In this post, she reflects on the keynote address by Professor of Sociology of Law, Ashley Terlouw. Abby shares some new, and intriguing thoughts on the legal perspective of diversity and inclusion that she gathered from the symposium.
Door voortschrijdende technologische ontwikkelingen en verdere digitalisering van de samenleving zal de inzet van beelden in de strafrechtsketen toenemen, en daarmee de noodzaak deze kritisch te bevragen, net als iedere andere vorm van bewijs. Het gebruik van beeldmateriaal vergt goed ontwikkelde visuele geletterdheid bij betrokken actoren - dit zal centraal staan in het onderzoek van Gabry Vanderveen, Willem-Jan Verhoeven en Lotte van Dillen dat door Politie & Wetenschap is gehonoreerd.