DutchGeneralLanguageMigrationTheme“Wij hebben niets te vieren!”

“Wij hebben niets te vieren!”

Shir Shah Nabi

 

“Wij hebben niets te vieren!”

Dit vertelde een Afghaanse asielzoeker mij die op één van de opvangcentra in Nederland verblijft. Hij reageerde met deze uitspraak op een Syrische vluchteling die zijn definitieve toelating tot Nederland vierde. Tijdens mijn regelmatige gesprekken met een aantal Afghaanse vluchtelingen werd duidelijk dat achter deze bewoordingen gevoelens van miskenning en discriminatie schuilgaan ten opzichte van de Syrische vluchtelingen in Nederland. Deze gevoelens manifesteren zich onder meer tijdens het contact met de medewerkers van de opvangcentra. Uit de gevoerde gesprekken blijkt dat de Afghaanse asielzoeker tijdens deze contactmomenten bepaalde verwachtingen van de medewerker heeft. Deze verwachtingen gaan echter verder dan wat er op basis van de rol en bevoegdheden van het personeel aangenomen mag worden. Juist omdat de rol van de medewerker door de Afghaanse asielzoeker anders wordt geïnterpreteerd, ontstaan er bij de asielzoeker gevoelens van miskenning en discriminatie. Ik zal het voorgaande illustreren aan de hand van een simpel voorbeeld.

Eén van mijn respondenten, ik noem hem Sayyed, is 24 jaar oud en komt uit het Zuiden van Afghanistan. Sayyed verblijft al ongeveer zes maanden op een opvangcentrum in Nederland. Sayyed spreekt redelijk goed Engels en komt daarom, bijvoorbeeld als tolk, vaak in contact met het personeel. Men zou denken dat Sayyed door deze regelmatige interactie met de medewerkers bekend is geworden met de werkwijze van het personeel en daarom ook voldoende kennis heeft van de rol en bevoegdheden van de medewerkers. Niets is minder waar. Op een avond zit Sayyed samen met zeven andere Afghaanse asielzoekers op een kamer die onderdeel uitmaakt van het opvangcomplex. Op die bewuste avond krijgt één van de kamergenoten van Sayyed een paniekaanval. Sayyed merkt dat op en schakelt gelijk een medewerker in. Omdat deze medewerker op dat moment in bespreking met een andere asielzoeker is, duurt het even voordat de medewerker te hulp kan schieten. Bij aankomst kan de medewerker echter niet inschatten wat er precies mankeertaan de man. De medewerker is immers niet medisch opgeleid. Om die reden belt de medewerker 1-1-2 en schakelt een ambulance in. De Afghaanse asielzoekers begrijpen dit niet en zijn verontwaardigd. De Afghaanse asielzoekers op de kamer, inclusief Sayyed, zijn namelijk in de vooronderstelling dat de medewerker zelf snel iets kan doen. Ze hebben kennelijk de verwachting dat de medewerkers op een asielzoekerscentrum op enige wijze medisch zijn opgeleid. Omdat de medewerker niet kan voldoen aan deze (te hoge) verwachting, zoeken de Afghaanse asielzoekers naar een verklaring. Deze verklaring wordt gevonden in het idee dat zij niet worden geholpen omdat zij uit Afghanistan komen. Zo vertellen de respondenten mij dat als een Syrische asielzoeker ziek wordt, de medewerkers er wel alles aan zouden doen om hem/haar te helpen. Omdat het in dit geval om een Afghaanse asielzoeker gaat, zouden de medewerkers simpelweg minder snel geneigd zijn om actie te ondernemen. Volgens de Afghaanse vluchtelingen heeft deze ongelijke behandeling weer te maken met het idee dat het personeel rekenschap zou geven dat – in tegenstelling tot de meeste Afghanen – de Syrische vluchtelingen wel in Nederland mogen blijven.

Tijdens mijn regelmatige gesprekken met een aantal Afghaanse vluchtelingen werd duidelijk dat achter deze bewoordingen gevoelens van miskenning en discriminatie schuilgaan ten opzichte van de Syrische vluchtelingen in Nederland

Dit voorbeeld laat zien dat de Afghaanse asielzoeker een bepaald beeld heeft van de medewerkers. Wanneer blijkt dat dit niet het geval is, zoekt de Afghaanse asielzoeker de verklaring niet bij zijn eigen onjuiste verwachting, maar bij het idee dat de medewerker Afghaanse asielzoekers moedwillig anders (en slechter) behandelt.

Uit de gesprekken die ik met Sayyed en zijn kamergenoten heb gevoerd, kan worden opgemaakt dat deze subjectieve interpretaties vooral te maken hebben met de wijze waarop gecommuniceerd wordt met deze bewoners. De respondenten vertelden bijvoorbeeld dat zij bij aankomst op het opvangcentrum een handleiding kregen waarin informatie stond over de asielprocedures, de diensten waarmee zij te maken krijgen gedurende hun asielprocedures en de huisregels van het betreffende opvangcentrum. Omdat deze Afghaanse asielzoekers vaak laag zijn opgeleid en niet gewend zijn aan een dergelijke vorm van communicatie komt deze informatie kennelijk vaak niet goed over.

De eventuele gevolgen

Uit verschillende criminologische onderzoeken blijkt dat het gevoel van miskenning en discriminatie het gedrag van individuen negatief kan beïnvloeden. Deze gevoelens kunnen leiden tot vijandig of delinquent gedrag en zelfs radicalisering tot gevolg hebben (zie o.a. Koomen en Van der Pligt, 2009). Achterstelling en discriminatie kunnen als bedreiging worden ervaren. Het gaat daarbij niet alleen om objectieve achterstelling en discriminatie, maar vooral ook om de beleving en ervaring daarvan. Daarbij speelt relatieve deprivatie een belangrijke rol; via onder meer processen van sociale vergelijking: het zichzelf met anderen vergelijken (Koomen en Van der Pligt, 2009: V). De Afghaanse asielzoekers vergelijken zich met de Syrische vluchtelingen en hebben het gevoel achtergesteld te worden ten opzichte van deze groep asielzoekers. Ondanks dat deze gevoelens niet objectief zijn, kan de beleving daarvan een voorbode vormen voor vijandige reacties t.o.v. medewerkers alsook een radicale houding tegenover de Nederlandse politiek en samenleving. Het is daarom uitermate belangrijk om oog te hebben voor dergelijke gevoelens. Hoewel tegenwoordig relatief veel aandacht wordt besteed aan determinerende factoren van criminaliteit en radicalisering bij bestaande minderheidsgroepen in Nederland zoals de Turken en Marokkanen, blijven de problemen die zich voordoen bij de asielzoekers binnen de opvangcentra tamelijk onderbelicht. Het voorbeeld dat ik hierboven heb beschreven, laat zien dat het belangrijk is om asielzoekers goed (persoonlijk en in hun eigen taal) te begeleiden. Dat wil zeggen, het is van belang dat asielzoekers voldoende worden geïnformeerd over wat ze kunnen verwachten van de medewerkers en de asielprocedures in het algemeen. Een goede begeleiding tijdens de asielprocedure kan voorkomen dat de asielzoeker een eigen betekenis geeft aan situaties en vervolgens zich miskend en gediscrimineerd voelt.

Hoewel tegenwoordig relatief veel aandacht wordt besteed aan determinerende factoren van criminaliteit en radicalisering bij bestaande minderheidsgroepen in Nederland zoals de Turken en Marokkanen, blijven de problemen die zich voordoen bij de asielzoekers binnen de opvangcentra tamelijk onderbelicht

About the author: Shir Nabi

Shir Shah Nabi holds a Master of Science degree in Criminology from the VU university in Amsterdam. His fields of interests involve research in organized crime, misconduct of ethnic businesses, migration and terrorism. Shir is mainly interested in financial crime: transfer of money within organized crime networks, including terrorist organizations and money laundering.

Related Post

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked ( * ).

Your comment*

Your name*

Your email*

All rights reserved © 2016 |Developed by Mike Pieters | Administrator login | Contact | Sitemap