DutchMethodologyOver geheim(houding), vertrouwelijkheid en Babylon

Over geheim(houding), vertrouwelijkheid en Babylon

Door: Jeanine Evers

Ik val maar gelijk met de deur in huis: ik ben meer methodoloog dan criminoloog, en dan met name op gebied van kwalitatief onderzoek. Vanuit die optiek wil ik graag dat onderzoekers transparant en navolgbaar zijn over de wijze waarop zij onderzoek hebben gedaan. Ik wil graag weten hoe, waar en waarom data zijn verzameld, hoe respondenten en andere databronnen zijn geselecteerd, hoe data zijn geanalyseerd en waarom op deze wijze(n). Kortom: ik wil graag een audit trail, ofwel een traceerbaar verloop zien van het onderzoek. Bij voorkeur is dit, behalve gerapporteerd in het uiteindelijke rapport, artikel of proefschrift, vooral bijgehouden in analyse software, zodat de wetenschappelijke vakbroeders en –zusters zich een oordeel kunnen vormen over de kwaliteit van het werk en de plausibiliteit van de uitkomsten.

Voor deze blog vroeg ik mij af hoe deze methodologische eisen zich verhouden tot een specifiek kenmerk van het criminologische onderzoeksterrein, namelijk geheim(houding). Dat is iets anders dan vertrouwelijkheid en anonimiteit, twee reguliere ethische principes, waarbij je de informatie die je ontvangt in het kader van het onderzoek dusdanig beschermt dat mensen niet herleidbaar zijn als respondent en de ruwe data niet in verkeerde handen terecht kunnen komen[i].

Bij geheimhouding draait het er juist om, dat je informatie bij voorbaat niet deelt, het woord zegt het al: ‘ge-heim-houdt’. Dat staat op gespannen voet met het onderliggende principe van elke wetenschap, namelijk kennis-de-len, en nog specifieker met de methodologische eis van dusdanige openbaarheid dat het onderzoek con-tro-leer-baar wordt .

geheimhouding’ staat op gespannen voet met kennisdelen en controleerbaarheid

Geheimhouding

Het uitgangspunt is bij geheimhouding dus tegengesteld: wat mij ter ore of onder ogen komt blijft dan per definitie binnenskamers. Dit is een juridisch begrip, geregeld bij wetgeving, zoals in de Gemeentewet, de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet op de Ondernemingsraden. Het begrip geheimhouding geldt voor het openbaar bestuur, bepaalde beroepsgroepen (maar niet voor onderzoekers) of in bepaalde contexten, en is -als men zich er niet of onvoldoende aan houdt- in bepaalde gevallen strafbaar. Verwant aan geheimhouding zijn de begrippen: verschoningsrecht, meldingsplicht en getuigplicht. Elke burger heeft getuigplicht als de rechter daartoe een oproep doet, tenzij ze verschoningsrecht heeft (Van de Bunt, 2012). In bepaalde beroepen is er een meldingsplicht, met andere woorden: als betrokken functionaris iets ter ore of onder ogen komt, is men verplicht dat te melden bij bepaalde instanties. Banken bijvoorbeeld moeten bepaald soort verdachte transacties melden. In andere beroepen geldt juist een geheimhoudingsplicht met daaraan gekoppeld het verschoningsrecht: het recht om zelfs tegenover de rechter te zwijgen. Dit laatste geldt voor medische beroepen, het notariaat, de advocatuur, het journaille en de geestelijkheid. Uitzondering hierop vormt bepaalde informatie rond daden die terroristische doelen dienen en bepaalde besmettelijke ziekten. Dan bestaat alsnog een meldingsplicht. Maar bijvoorbeeld de reclasseerder kan zich niet beroepen op het verschoningsrecht, waar zij wel geheimhoudingsplicht heeft, en de buurtagent heeft een toezichttaak die op gespannen voet staat met de geheimhoudingsplicht die er ook is (Van de Bunt, 2012). Geheim(houding) is daarmee vooral een juridische constructie, bedoeld om de relatie tussen bepaalde beroepsgroepen en hun clientèle, of tussen beroepsgroepen onderling, te definiëren, dan wel om bepaalde informatiedeling bij voorbaat aan banden te leggen door iets van het stempel ‘geheim’ te voorzien.

Criminologie, vertrouwelijkheid en geheimhouding

Terug naar de criminologie en haar onderzoeksonderwerp: het ontstaan en verloop van criminele praktijken en de opsporing en bestrijding daarvan door de overheid. Voor criminologen is het bij mijn weten niet anders dan voor andere onderzoekers in het sociale domein: de eis van vertrouwelijkheid en anonimiteit is onderdeel van de beroepsethiek (Evers, 2003, 2015). Deze geldt voor het doen van onderzoek onder respondenten en het inzien van documenten. Het gaat hier echter niet om een juridisch begrip en daarmee is schending ervan niet op juridische gronden strafbaar, maar wel op ethische gronden laakbaar.

schending van vertrouwelijkheid is niet op juridische gronden strafbaar, maar wel op ethische gronden laakbaar

In geval van onderzoek binnen de justitiële keten worden criminologen echter additioneel geconfronteerd met een juridisch begrip: geheimhoudingsplicht. Dat heeft gevolgen. Het is aannemelijk dat deze geheimhoudingsplicht zich beperkt tot de criminoloog die gegevens van het openbaar bestuur gebruikt om bijvoorbeeld na te gaan hoe bepaalde (politie-)onderzoeken dan wel strafzaken verlopen, wat kenmerken zijn van bepaalde daders of criminele handelingen en hoe criminele processen verlopen[ii]. De geheimhoudingsplicht richt zich dan op het niet delen van bepaalde kennis die tijdens het onderzoek de onderzoeker onder ogen of ter ore is gekomen.

Vragen die hierover bij mij op komen, zijn: om welke kennis gaat het dan precies, wie selecteert dat, welk belang is daarbij gediend of wordt daar eventueel bij geschonden? En: hoe verhoudt deze geheimhoudingsplicht zich tot de eis van controleerbare wetenschap? Van de Bunt heeft dit laatste probleem -van controleerbaarheid- eerder opgelost door in teamverband te werken opdat men elkaar kon controleren (Van de Bunt, 2015). Alhoewel een zeer elegante constructie, is dat wellicht niet altijd afdoende of realiseerbaar. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat zo’n team gevormd wordt door mensen die elkaar goed ‘verstaan’ en daarmee kan een tunnelvisie zich collectief manifesteren .

hoe verhoudt deze geheimhoudingsplicht zich tot de eis van controleerbare wetenschap?

En als die criminoloog die onderzoek doet binnen de justitiële keten wordt opgeroepen door de rechter, heeft hij/zij dan verschoningsrecht? Of als hij/zij bepaalde informatie deelt op een conferentie van vakgenoten, is hij/zij dan strafbaar? En hoe zit dat eigenlijk als de criminoloog onderzoek doet bij (vermeende) criminelen buiten de justitiële keten om (het veldwerk), moet hij of zij het dan melden als hem/haar iets ter ore komt dat op stapel staat? En hoe om te gaan met het risico dat je teveel te weten komt; zorgen dat je ‘op afstand blijft van de drugstransacties’, zoals Zaitch deed in zijn onderzoek onder Colombiaanse cocaïnehandelaren? (Van de Bunt, 2015:61)

Al deze vragen geef ik jullie graag mee ter overpeinzing in de zomervakantie, in de hoop dat we in volgende blogs met elkaar van gedachten kunnen wisselen over de ethische en ‘geheime’ aspecten van het criminologisch onderzoek.

[i] Overigens spreekt deVSNU in de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (2014) niet over vertrouwelijkheid en anonimiteit, maar alleen over informed consent, privacy en gering risico voor betrokkenen. Wat in deze blog als vertrouwelijkheid en anonimiteit wordt opgevat, valt enigszins onder de begrippen eerlijkheid en zorgvuldigheid en controleerbaarheid van deze gedragscode, maar wordt nergens geëxpliciteerd. Dat lijkt een gemiste kans aangezien de begrippen vertrouwelijkheid en anonimiteit in methodologische literatuur al sinds jaar en dag worden gehanteerd.

[ii] Het is de vraag of daarbij aan het informed consent principe recht wordt gedaan, aangezien de vermeende daders, waarvan wellicht in dossiers wordt gesproken, niet om toestemming is gevraagd.

Met dank aan Henk van de Bunt voor het becommentariëren van een eerdere versie en Leon Archer voor het leveren van informatie over wetgeving.

About the author: Jeanine Evers

I am a lecturer in qualitative research methods at the Department of Criminology, ESL, and the owner of Evers Research & training, in which I train and coach PhD students and researchers in qualitative research. After a Master degree in Cultural Anthropology, I worked several years as a researcher in Curaçao on the topic of norms, values and criminality. After returning to The Netherlands I did research on breast cancer screening among older Moroccan women, on the university as a work place and on research ethics. During that time, I received a Master degree in Public Administration from Erasmus University Rotterdam. From 2001 onwards, I have been teaching qualitative research methods at several universities in The Netherlands and I am a longstanding board member of KWALON, the Dutch Platform for Qualitative Research.

Related Post

2 COMMENTS

  • Richard Staring says:

    25/07/2016

    Interessante blog met interessante vragen. Overigens geen vragen die voorbehouden zijn aan criminologen. Alle academici die etnografisch onderzoek buiten ‘het laboratorium’ doen of die werken met vertrouwelijk en/of besloten materiaal hebben met dergelijke vragen vandoen. Geïnspireerd door deze blog zal ik in de zomervakantie de bijdrage van Ned Polsky over ‘guilty knowledge’ er nog eens op nalezen en op mijn empirische onderzoeken betrekken. Dat zullen geen geen ultieme antwoorden opleveren, maar wellicht interessante perspectieven. Dus wordt vervolgd!

    • Jeanine Evers says:

      26/07/2016

      Eens, zeker niet alleen voor criminologen, maar door hun onderzoeksobject meer/extra/anders aan de orde dan bij andere sociale wetenschappers, dacht ik. Ik zie uit naar het vervolg!

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked ( * ).

Your comment*

Your name*

Your email*

All rights reserved © 2016 |Developed by Mike Pieters | Administrator login | Contact | Sitemap