DutchGeweldLanguageThemeViolence‘Echt steeds vaker!’ – de aard en omvang van agressie tegen mensen met een publieke taak

‘Echt steeds vaker!’ – de aard en omvang van agressie tegen mensen met een publieke taak

Lisa van Reemst

Het beeld in de media is dat agressie tegen medewerkers met een publieke taak steeds vaker voorkomt. Desalniettemin kan ik mij niet direct vinden in dit beeld dat het aantal voorvallen zou stijgen, terwijl ik me al jaren bezighoud met dit thema (zie ook eerdere blogs hier en hier). De Correspondent heeft in 2015 middels een factcheck bekeken of de uitspraak in de media, dat sprake zou zijn van een stijging van voorvallen van geweld tegen hulpverleners, juist was. Hun conclusie was dat er geen stijging zou zijn. Ik wil nog wel een stapje verder gaan: ik denk we de eventuele stijging én in het algemeen de aard en omvang van agressie tegen medewerkers nog niet goed in beeld hebben. Dit heeft te maken met beperkingen van de bronnen waarmee de aard en omvang, en eventuele veranderingen daarin, worden bekeken.

 

Ik denk we de eventuele stijging én in het algemeen de aard en omvang van agressie tegen medewerkers nog niet goed in beeld hebben

 

De aard en omvang van agressie tegen mensen met een publieke taak worden veelal in kaart gebracht door registraties of enquêtes. Registratie vindt plaats bij de organisaties zelf, ofwel bij het doen van aangifte bij de politie (registratie in het politiesysteem BVH). Hoewel ik hoor van pogingen om registraties te verbeteren, blijken registraties bij de organisaties nog niet altijd en soms op verschillende manieren te gebeuren. Een correct beeld krijgen van de aard en omvang wordt daardoor bemoeilijkt. Om aangiftes te registreren als geweld tegen hulpverleners moet er bovendien handmatig een juiste systeemcode aan de aangifte worden toegevoegd. Dit is uiteraard gevoelig voor fouten, waardoor deze voorvallen niet standaard geregistreerd worden als geweld tegen hulpverleners, maar als een algemene aangifte van geweld. Daarnaast zijn er allerlei factoren van invloed op of een medewerker überhaupt een incident wel wil registreren (inclusief aangifte doen), zoals de ernst van het incident en het beeld van een medewerker of er iets met de registratie gedaan gaat worden.

Enquêtes zijn veelal uitgevoerd in het kader van Veilige Publieke Taak, een programma van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat zich tussen 2007 en 2016 bezighield met dit thema. De monitoren die in het kader van Veilige Publieke Taak werden uitgevoerd om de aard en omvang in kaart te brengen hebben als beperking dat er regelmatig weinig deelnemers per beroepsgroep waren. Bovendien zijn deze deelnemers niet geheel willekeurig gekozen. Zo zouden medewerkers die vaker met ernstige agressie in aanraking zijn gekomen mogelijk eerder willen deelnemen aan de enquête. De vraag is dus in hoeverre de antwoorden van de respondenten representatief zijn voor de gehele beroepsgroep.

Bij zowel registraties als enquêtes is het bovendien waarschijnlijk dat een incident niet gerapporteerd wordt als een medewerker dit niet geïnterpreteerd heeft als zijnde agressie. Bij de monitor wordt namelijk gevraagd naar hoe vaak men (een bepaalde vorm van) ‘agressie’ meemaakte, in plaats van een concrete vorm van gedrag. Dat terwijl de definitie van agressie zou kunnen verschillen tussen medewerkers.

Er zijn dus diverse redenen om aan te nemen dat de aard en omvang die uit registraties en enquêtes blijkt, niet de daadwerkelijke aard en omvang is van agressie tegen mensen met een publieke taak. Dit is ook meer in het algemeen bekend over de aard en omvang van criminologische fenomenen. Als redenen om wel of niet agressie te rapporteren (in registraties of enquêtes) over tijd verschillen, kunnen deze redenen ook het beeld van een eventuele stijging beïnvloeden. Om de stijging (of daling) in kaart te brengen is het bovendien nodig dat dezelfde soort meting vaker wordt gedaan, idealiter onder dezelfde groep medewerkers. De enquêtes van Veilige Publieke Taak zijn wel meerdere malen herhaald. Persoonsgegevens in de monitor zijn echter (met reden) niet gekoppeld tussen de enquêtes uit verschillende jaren. Bovendien geldt voor zowel de enquêtes als voor de registraties dat men door meer bewustzijn van agressie tegen medewerkers (bijvoorbeeld door een mediacampagne, beleid binnen de organisatie die toegespitst is op agressie tegen medewerkers of eigen ervaring) meer agressie kan gaan melden. Bijvoorbeeld omdat ze dit belangrijker vinden of omdat ze het zich beter herinneren gedurende die periode. In de afgelopen jaren is er op verschillende momenten aandacht geweest voor het onderwerp agressie tegen medewerkers met een publieke taak.

Is het in kaart brengen van de aard en omvang van agressie tegen mensen met een publieke taak dan een hopeloze zaak? Een beetje wel, zoals Elffers en van der Kemp (2016) ook beargumenteren voor criminaliteit in het algemeen. Desondanks worden er pogingen gedaan om dit te verbeteren, bijvoorbeeld door bronnen te combineren, in kaart proberen te brengen welke criminaliteit hiermee gemist wordt en het onderzoeksonderwerp te veranderen. Het in kaart brengen van een eventuele stijging kan bovendien worden verbeterd door studies te doen over tijd, waarin gegevens van personen aan elkaar gekoppeld worden.

 

Hoewel een volledig correct beeld is een utopie lijkt, kunnen we door middel van goed en langdurig onderzoek beter weten over welke aard en omvang we kunnen spreken

 

In mijn promotieonderzoek bevraag ik hulpverleners middels enquêtes meermaals over gedragingen van burgers. Deze gedragingen zijn niet bestempeld als ‘agressie’ en enquêtes kunnen aan elkaar kunnen worden gekoppeld. De aard en omvang van agressie tegen hulpverleners is echter niet de hoofdvraag in mijn promotieonderzoek (dat gaat over het verklaren van verschillen in het meemaken van agressie tussen medewerkers). De enquêtes vonden dus gedurende anderhalf jaar plaats, wat een vrij korte tijd is om trends in aard en omvang waar te nemen. Ik kan dus niet beweren dat ik met mijn eigen onderzoek de oplossing voor het in kaart brengen van eventuele stijgingen heb gevonden. Zeker gezien de perceptie van toenemende agressie tegen hulpverleners, is het jammer dat er niet meer initiatieven zijn om agressie tegen medewerkers met een publieke taak goed, en vooral ook over tijd, in kaart te brengen. Hoewel een volledig correct beeld is een utopie lijkt, kunnen we door middel van goed en langdurig onderzoek beter weten over welke aard en omvang we kunnen spreken.

 

About the author: Lisa van Reemst

Lisa van Reemst holds a Master of Science degree in Social Psychology from Utrecht University. Previously, she worked as an Academic Researcher and Lecturer. Currently, she is a third-year PhD candidate at the department of Criminology of the Erasmus School of Law, Erasmus University in Rotterdam. She teaches courses related to psychology and research skills. Her research interests are (repeat) workplace victimization and explaining variations in victimization.

Related Post

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked ( * ).

Your comment*

Your name*

Your email*

All rights reserved © 2016 |Developed by Mike Pieters | Administrator login | Contact | Sitemap